Hoe Betty de Bruin de oorlog overleefde.

Het gezin De Bruin bestond vóór de oorlog uit moeder Henriëtte Italie, vader Aron de Bruin, dochter Dora, zoon Herman en dochter Betty (Bertha). Vader Aron had een zakkenhandel in Leeuwarden. Aan de Noordersingel stond zijn pakhuis.
In 1924 verhuisde de familie de Bruin van de Spanjaardslaan 12 naar de Paul Krügerstraat 39 in Leeuwarden waar Betty geboren werd.
De tijd vóór de oorlog had Betty een zeer normale jeugd. De straat was voor de kinderen die dan ook altijd buiten speelden. Er stond maar één auto voor een deur. Ze tolden, knikkerden en sprongen touwtje naar hartelust. Vervelen deed je je nooit.
De school waar ze naar toe ging toen ze zes was, was de openbare lagere school 7, ook wel 'Tünsjeskoal' genaamd. Haar beste vriendin Boukje Noordmans-Evenhuis ging naar de W.C. van Munsterschool in de Leeuwerikstraat.
Ze kreeg van huis uit een liberaal Joodse opvoeding, en moest op woensdagmiddag voor Hebreeuwse les naar de Joodse school. De oorlogsdreiging in Europa nam toe en was ook in Leeuwarden het onderwerp van gesprek. Betty, die zoals de meeste kinderen tegen haar vader opkeek, hoorde hem zeggen dat de oorlog niet naar Nederland zou komen. Zij geloofde dat onvoorwaardelijk.

Toch kwam de Duitse inval.
Bij het uitbreken van de oorlog was Dora 19 jaar oud en werkte als leerling-verpleegster in Amsterdam. Herman was twee jaar jonger dan Dora en Betty was nog maar 9 jaar.
Na 20 oktober 1941 moesten alle Joodse kinderen uit Friesland naar één Joodse school aan het Jacobijnerkerkhof .Daar waren twee lokalen in gebruik: één lokaal voor de klassen 1 t/m 3 en één voor de klassen 4 t/m 6. Betty moest hier ook heen.
Op de Joodse school zaten twee zusjes de Kadt bij haar in de klas. In juli 1941 kwamen ze plotseling niet meer opdagen. Betty hoorde dat de familie zelfmoord had gepleegd. Alleen baby David-Jan stond in een mandje bij het open raam en werd door het kindermeisje gered.

Er kwamen ook bordjes in Leeuwarden met "Voor joden Verboden" en "Joden niet gewenscht" en vanaf 2 mei 1942 moest Betty een jodenster dragen. Er hing een nare sfeer op straat. Betty en haar vader kwamen eens op straat een Joodse man tegen. De mannen gaven elkaar een hand en wensten elkaar sterkte toe. De toestand was dreigend.



Aron de bruin
Het huis in de Paul Krügerstraat had geen steeg of achterom. Vader Aron had in het hok achter het huis een gat gezaagd dat uitkwam in de tuin van de buurman van Rijswijk. Zo zou er een ontsnappingsmogelijkheid zijn bij onheil.In juli 1942 werd vader Aron door de Leeuwarder politie opgehaald omdat hij ' vlees buiten de bon' had gekocht bij een Joodse slager. Hij werd in een cel opgesloten nadat hij zijn veters en das had moeten afgeven. Moeder Henriëtte was helemaal in paniek. Gelukkig kwam hij twee dagen later weer thuis. Hij was zo snel vrijgekomen omdat hij zijn 'misdaad' ruiterlijk bekend had. Dezelfde dag, in de middag, zag Betty, die buiten aan het spelen was, haar vader met een politieagent lopen. Hij zwaaide naar haar en zei dat hij zo terug zou komen. Maar dat was de laatste keer dat ze hem gezien heeft. Een politieman kwam één of twee dagen later nog eens langs. Hij zei dat hij goed nieuws had; hij had een brief van vader Aron bij zich. Die zat in Amersfoort. Het was echter een afscheidsbrief waarin hij ook om een foto van Betty vroeg. De agent heeft een foto van Betty meegekregen. 
Aron de Bruin is via Amersfoort op 16 juli 1942 weggevoerd naar Auschwitz. Waar hij op 20 augustus 1942 met een phenol-injectie werd gedood. 

Broer Herman had het eerste gedeelte van de oorlog als bediende in een winkel in galanterieën in Amsterdam
gewerkt. Hij mocht dat niet meer doen en kwam naar Leeuwarden terug. Hij kocht toen een overal en laarzen en 'verhuurde' zich als dienstmeisje bij Joodse gezinnen.
Dat werk was een aflopende zaak.
Toen een oude schoolvriend hem op straat tegenkwam, droeg hij een gele ster op zijn jas. Toen deze vriend hem vroeg "Ha die Herman, hoe is het met jou?" fluisterde hij "Fijn dat je mij dat vraagt, maar wij mogen van de bezetter als jood niet meer met jullie praten en je weet maar nooit wie een verrader is. Dus neem me niet kwalijk, dat ik niet met jullie verder praat. Maar kom als je zin hebt maar eens bij ons thuis". En weg was hij.
Hij kreeg tenslotte van de Joodse raad een stempel waardoor hij zich buiten direct gevaar achtte. Hij verbleef alleen thuis maar werd daar op 12 november 1942
opgepakt.
Vanuit kamp Westerbork werd hij op 16 november 1942 op de trein naar Auschwitz gezet.

Herman de Bruin
In Cosel, z'n 80 km voor Auschwitz, werd hij uit de trein gehaald om daar in de buurt dwangarbeid te verrichten. Na vele omzwervingen (oa. Blechhammer, Reschau) stierf hij door uitputting op 3 februari 1945 in Gross Rosen.

Dora, Betty's zus, was 10 jaar ouder dan zij en werkte in een ziekenhuis in Amsterdam. Daar was ze blijkbaar tot het inzicht gekomen dat het voor de familie de Bruin in de Paul Krügerstraat op den duur niet veilig genoeg zou zijn. Ook piekerde zij er niet over om zich aan de Duitsers uit te leveren.
Moeder Henriëtte was op aandringen van Dora voor haar veiligheid in de Borniakliniek 'opgenomen'. De Borniakliniek stond in Huizum, een dorp dat later in Leeuwarden is opgegaan. Het was een particuliere verpleeginrichting voor patiënten met psychische problemen.
Voor Betty had Dora een plaatsje in een weeshuis gereserveerd. In Amsterdam wel te verstaan. Met de ster op moest de 11 jarige met haar zus per trein naar Amsterdam. Daar kwam ze in het Joods meisjesweeshuis aan de Rapenburgerstraat terecht waar ze niemand kende. Er heerste hier difterie, een besmettelijke ziekte die de Duitsers op een afstand moest houden. Heel af en toe kwamen haar tante en zus op bezoek. Ze kreeg verschrikkelijke heimwee.

Voor Dora zeker ook een teken dat dit geen definitieve oplossing was.
In Leeuwarden bezocht Dora wel eens haar oom en tante de Bruin die woonden in de Peperstraat . Die hadden daar een winkel genaamd "Corset Royal". Op een keer was zij getuige van een gesprek van haar tante met politieagent Halma. Deze waarschuwde haar tante voor de Duitsers en zei dat ze moest onderduiken. Maar oom en tante waren te gehecht aan hun spulletjes en bleven waar ze waren.
Voor Dora was dit de aanleiding om eens met Halma te gaan praten. Konden niet in plaats van oom en tante, Betty en zij gaan onderduiken? Dit bleek mogelijk te zijn.
Zonder geldige papieren en ster reisde Dora naar het weeshuis in Amsterdam. Daar heerste nu roodvonk . Dora zei tegen haar zus dat ze haar spullen moest pakken om direct mee naar Leeuwarden te gaan. Voor Betty die ongeveer twee maanden in het weeshuis doorgebracht had, was het een grote opluchting. Ze bleven overnachten bij een oom die tegenover Artis woonde en de volgende dag reisden ze terug. Zonder tegenslag kwamen ze heelhuids in Leeuwarden aan.
Ze verbleven een paar dagen bij bij de familie Klaas van Wieren, die een horlogezaak op Peperstraat 14 bezat.
Op 10 december 's avonds reden ze in het donker op de fiets naar Rinsumageest. Betty zat bij agent Halma achterop. Ze moesten zich bij rijksveldwachter Pals melden die voor hen een onderduikadres had. Hij had voor hen een paar laarzen klaarstaan want de boerderij was alleen maar te voet bereikbaar. Door de modder kwamen ze bij de boerderij van de familie Wijma. Tot verbazing van Betty, trok de boerin, tante Sijke, met haar blote handen de vieze laarzen uit.
Tante Sijke zorgde voor wat speelgoed en las Betty voor. Betty moest de hele dag binnen blijven.
Ze heette nu Betty de Wit. Het onderduiken was echt begonnen.


Dora de Bruin
Dora vertrouwde het verblijf van haar moeder in de Borniakliniek niet meer. Haar tachtigjarige oma in Amsterdam was uit het bejaardenhuis, waarin ze verbleef, opgepakt. Met behulp van Pals was er voor moeder een plaats bij Jan en Pietsje in Sijbrandahuis. Die woonden in een arbeidershuisje, verder het land in. Ze vertrok uit de Borniakliniek in februari 1943. Maar moeder Henriëtte kon de eenzaamheid daar niet aan. Ze wilde niet alleen zijn. Daarom kwamen haar dochters om de beurt in het weekend bij haar logeren. Het was nog geen uur lopen.
Na een tijdje ging Betty definitief bij haar moeder wonen. De Wijma's kregen een nieuw Joods echtpaar. Dora bleef bij tante Sijke.
Jan en Pietsje hadden een zoontje: Pieter. Betty mocht hem geregeld een schone luier geven.
Pietsje moest ondertussen bevallen van haar tweede. Moeder Henriëtte en dochter verhuisden dus tijdelijk naar de pake en beppe in Birdaard. Voor Betty een aangename afwisseling. Ze mocht karnen en de kalfjes te drinken geven. Het was ûngetiid (hooioogst) 1943 en ze keek uit naar het tijdstip dat Kees, de zestienjarige zoon, van het land terugkwam.
Na de bevalling kwamen ze weer terug in het arbeidershuisje. Twee bedsteden bevonden zich in de kamer voor Jan en Pietsje. Op de zolder van het bûthûs (koestal), via een smalle ladder bereikbaar, stond een tweepersoonsbed voor Betty en haar moeder.
Er kwam, zeker na de bevalling, wel eens bezoek. Dan moesten Betty en haar moeder op de zolder blijven, meestal in bed. Ook als zij 'nodig moesten' gebeurde dat op de pot in bed. Het geluid werd door de dekens gesmoord. Het was voor Pietsje een hele toer het eten ongemerkt op de zolder te krijgen. Eén keer kwam het bezoek zo onverwacht dat ze nog net in de bedstee konden duiken. Betty kreeg toen last van een kriebelhoest.

Op een dag kwam Jan 's morgens lijkbleek en buiten adem thuis. Hij had gehoord dat er verraad was gepleegd.
Betty en haar moeder moesten ogenblikkelijk vertrekken.
Jan kende in Dokkum een taxichauffeur, die boven de garage woonde en die goed was. Betty en haar moeder gingen lopend op weg en Jan kwam er met een tasje en op de fiets, achteraan. Ze zijn er een paar weken geweest. Maar omdat Duitse soldaten de garage regelmatig in- en uitliepen, moesten ze vertrekken.
In Leeuwarden kende Betty, via haar broer Herman, de familie Cuperus in de Vegelinstraat. Op een avond, in het donker, zijn ze daar met de auto heengebracht. Dat was geen succes. De heer Cuperus was nerveus en doof. Hij dacht steeds dat hij Duitsers hoorde aanbellen. Een onhoudbare situatie dus.
Ze werden nu naar een tijdelijk opvangcentrum in Scharnegoutum gebracht. In een soort hooiberg vonden ze met z'n tienen een schuilplaats. De boer had al een Joods meisje voor vast en ze konden Betty er niet bij hebben. Na een paar dagen vertrokken ze.

In Scharnegoutum vonden Betty en haar moeder onderdak op de boerderij van Marten de Jong. Hij had een "prachtige schuilplaats gemaakt: een grote kamer gebouwd van pakken stro, met daaroverheen een mestvaalt".

Na enkele dagen op de boerderij te Scharnegoutum te hebben doorgebracht werden Betty en haar moeder naar Wijckel verkast. Ze kwamen daar bij de familie Teun Visser terecht. Bij de familie woonde ook beppe in. Ze kregen een eigen kamer en als ze de WC in de stal niet konden gebruiken, verbrandden ze hun eigen ontlasting in de kachel. Dit rook je. Beppe kon de situatie niet aan en werd zeer nerveus. Ook nu moest men weer uitzien naar een ander onderkomen.
Die werd gevonden in Sloten. Bij de familie Koopman aan de gracht die door Sloten loopt. Oom Stoffel was 15 jaar jonger dan tante Djoeke. Oom Stoffel noemde Betty altijd Jetske. De familie Koopman had twee kinderen. Joke van 24 en Jaap die in Duitsland te werk was gesteld. Toen Jaap met verlof thuis kwam, wilde hij niet meer naar Duitsland terug en besloot onder te duiken. Daardoor was het adres bij de familie Koopman niet meer vertrouwd en moesten Betty en haar moeder weer uitkijken naar een nieuw onderduikadres.

Henriette de Bruin-Italie
(jaren na de oorlog)


Steegenga uit Balk nam daarvoor contact op met meester Ate de Boer. Die woonde in Wijckel in een alleenstaand huisje en hij werkte op de Christelijke lagere school in Sondel. Hij was 28 jaar en had een zoontje Johan, die anderhalf jaar was. Zijn vrouw Geeske, ook 28 jaar, was in verwachting van haar tweede. Het was niet mogelijk aan twee onderdak te geven.

Betty de Bruin
Voor Betty was wel plaats. Betty kon doorgaan voor een nichtje van Geeske; die had ook zwart haar en bruine ogen. Ate en Geeske hadden al enige ervaring met onderduikers. Van november tot en met december 1943 vonden de heer van der Werf en echtgenote bij hen onderdak. Hij was directeur van het distributiebureau in te Sneek. Betty kwam op 4 februari 1944 in huis. Feike, een broer van Ate, dook eind 1944 bij het gezin de Boer onder . Het boterde echter niet zo tussen Betty en Feike, zei mem Geeske. Daarom vertrok Feike na vier maanden naar Laaksum. Betty gaf aan dat ze Feike juist erg aardig vond. Ook dat kon een reden zijn van Feikes vertrek!
Betty's moeder vond onderdak bij de Strikwerda's in Balk. Hij had een fouragehandel. Omdat ze daar volledig in de familie opgenomen werd, had ze het daar, voor zover mogelijk, naar haar zin. Betty kwam regelmatig over.
Betty vond ook al snel haar draai bij Ate en Geeske.
In Wijckel mocht Betty wel buiten komen. De sociale controle in het dorp was groot; er was geen verkeerd element onder hen. Buurman Klijnsma was noodslachter en zijn
zoon werkte in dienst van de Duitsers. Toch speelde Betty vaak met het buurmeisje.

Op 17 mei 1944 werd Klaaske (Karin) thuis geboren. Betty werd twee weken bij pake en beppe in Nijemirdum ondergebracht. Daar maakte ze kennis met Jos, een Joodse jongen van haar leeftijd die daar ondergedoken was.
Vooral toen er veel evacués uit Arnhem en omgeving kwamen die ook een donker uiterlijk hadden, mocht Betty er meer uit. Ze mocht zelfs elke middag door het Wijckler bos melk gaan halen bij boer Fêdde Visser. Daar raakte ze aan de praat met een Friese jongen van zo'n zestien jaar. Hij vroeg ook naar haar persoonlijke omstandigheden. Toen ze dat later thuis vertelde mocht ze in het vervolg geen melk meer halen.
Thuis in Leeuwarden had Betty alleen Nederlands gesproken. Natuurlijk leerde zij 'Leeuwardens' op straat spreken. Toen zij pas onderdook verstond zij geen Fries. Toch pikte ze die taal snel op. 'Himmelje' (schoonmaken) vond zij een prachtig Fries woord dat ze te pas en te onpas gebruikte. Op bezoek bij haar moeder in Balk vertelde ze eens een verhaal enthousiast in het Fries. Haar moeder vroeg haar of ze dacht dat zíj geen Nederlands meer verstond.

Naarmate de geallieerden naderden, ging ze meer naar buiten. Zo kon het gebeuren dat zij onverwacht op straat een een grote Duitse soldaat op een motor tegenkwam. Even twijfelde of ze hard zou weglopen. Ze vermande zich en liep gewoon door. Ook de Duitser reed op zijn motor verder.
Eén keer was er voor Betty een jurk gemaakt. Een jurk met rode ruitjes.
In het begin van 1945 kwamen er nog meer onderduikers in het kleine huis. De hele familie van slager de Jong uit Lemmer dook bij hen onder met acht 'man'. Toen woonden er 13 mensen in het huis aan de Balksterweg. Vader de Jong sliep ergens
anders. Er hing een waas van geheimzinnigheid om hem heen. Hij deed in wapens of zo.

Bij de familie de Jong was ook een Joods meisje: Alie. Die was een jaar ouder dan Betty. Ze sliepen bij elkaar. Op een nacht vroeg Alie aan Betty of haar familie nog terug zou komen na de oorlog. Betty zei dat ze zeker dacht van wel. Alie zei dat ze daarin niet geloofde. Betty schrok heel erg; misschien wel voor de eerste keer drong de verschrikkelijke situatie in zijn volle omvang tot haar door.

Betty de Bruin

De dagen kort vóór de bevrijding op 17 april 1945 hadden een geheimzinnige sfeer. Feike en Franke, beiden broers van Ate, liepen in BS (Binnenlandse Strijdkrachten) uniform. Maar niemand wilde zeggen wat er precies aan de hand was.
De nacht vóór 17 april zag Betty vanuit haar slaapkamertje lichtflitsen in de lucht.
De volgende dag waren de Canadezen er. Betty wilde graag tegen de Canadezen zeggen dat ze joods was maar ze sprak daarvoor niet genoeg engels. Haar vriendinnetje van 16 kreeg een sigaret en zij een plak chocola. Toch heeft ze toen haar eerste sigaret gerookt; ze ruilde de choclola tegen een sigaret. Een Canadees vroeg haar om een foto en zij kreeg zijn handtekening van hem.
Zo snel mogelijk gingen ze naar Leeuwarden terug. Daar konden ze niet hun eigen huis betrekken want een andere familie woonde erin. Ze vonden weer tijdelijk onderdak bij de familie van Wieren in de Peperstraat. Van vader Aron en Dora hadden ze via brieven van het Rode Kruis gehoord dat ze omgekomen waren.

Moeder Henriëtte had direct na de oorlog geen inkomen. Gelukkig heeft een oom, Jaap Cohen, financieel voor hen gezorgd. Hij was naar Frankrijk gevlucht en had een zakkenhandel. Hij heeft een paar jaar op die manier nog voor hen gezorgd.
Op 16 mei 1945 konden Betty en haar moeder weer in hun eigen huis terecht.
Vlak voor het moment dat Betty ging onderduiken gaf ze haar speelgoed aan haar vriendin Boukje Evenhuis om te bewaren. Na de oorlog kreeg ze van haar alles weer terug.

Jaren later is Betty bij de Wereldomroep in Hilversum gaan werken. Daar ontmoette ze haar man. Waarmee ze een dochter en twee zoons kreeg. Tot vlak voor haar overlijden bleef Betty in Hilversum wonen. Op 7 november 2024 overleed ze in Huizen.

Ate en Geeske de Boer-Postma uit Wijckel  zijn op 29 januari 2009 postuum geëerd door Yad Vashem.